HoeksteenKerststal

24 december 2008 08:00

Door Marcel Beijer

Bram komt van zolder met een oude, zware reiskoffer.
"Wat zit daar in?", wil Koen weten.
Zijn vader legt de koffer plat in de woonkamer: "Maak maar open."
Het jochie opent de koffer en ziet pakketjes krantenpapier. Voorzichtig haalt hij het weg. Er komt een schaapje tevoorschijn.
"Joepie, de kerststal!", komt Debby van de bank. "Ik wil meehelpen!"
Eén voor een komen de kerstfiguren tevoorschijn: Jozef, Maria, de os, de ezel en de drie koningen. Een erfenis van Brams' vader.
"Hoe gaat het kerstverhaal ook al weer?", wil Koen weten.
Bram en Nelly kijken elkaar verschrikt aan. Beiden zijn traditioneel katholiek opgevoed, maar zijn zelf niet gelovig. "Ik weet het niet meer zo goed."
:Deze heeft geen ogen meer", wijst Koen op een beschadigde, knielende herder.
"Dat is de blinde herder", flapt Bram eruit. "Die was zo verblindt door het Licht van Jezus dat hij plotseling niks meer kon zien. Maar toch was dat het prachtigste licht dat hij ooit zag."
De vader slikt even: hier hoort hij plotseling zijn eigen vader praten en zit hij zelf weer even op schoot.
Hij kijkt zijn kinderen aan.
"Maar dat vertel ik een andere keer wel, goed?"