HoeksteenHerman III

13 april 2011 05:00

Door Marcel Beijer


Het is rokjesdag. Herman gebruikt zijn lunchpauze om in de frisse lentezon zijn boterhammen op te eten. De wintersjaal is thuisgebleven en de jas kan zelfs open.
Het bankje in het park kijkt vreedzaam uit over een vijver. Twee zwanen glijden statig door het water.
‘Soms is alleen zijn het mooiste gezelschap’, denkt Herman. Dan komt naast hem een vrouw op het bankje zitten. Net iets te dichtbij.
Ze kijken elkaar aan.
De vrouw wijst op boterham in zijn hand, waaraan dikke bruine smurrie kleeft. “Ik raak altijd opgewonden van pindakaas…”, lispelt ze zwoel.
Herman lacht nerveus als de vrouw nog iets dichter naar hem toeschuift en haar neus iets boven de boterham laat zweven.
“Ik eh… heb er al een hap genomen”, probeert Herman.
Maar de vrouw laat haar neusvleugels trillen om de pindageur diep in te snuiven.
Teder pakt ze boterham vast. “Mag ik?”
Beschaamd geeft Herman de boterham weg. Ongemakkelijk gaat hij in het plastic zakje op zoek naar het sneetje met chocoladepasta.
De vrouw slaakt een kreet van opwinding. “Ik raak altijd opgewonden van chocoladepasta…”, fluistert ze als ze nog iets dichterbij schuift.
De boterham met pindakaas valt over haar schouder in het groene lentegras.